Home
Search
Print
Login
Add Bookmark
Loading...
» Show All «Prev «1 ... 8 9 10 11 12 Tjeerd Segaar een dichter in de familie
De Dordtse dichter Tjeerd Segaar door Wil Fraikin
'Ik ben de zoon van een postbode en dat geeft me het
recht slechte manieren te hebben.
Ik schrijf zelden of nooit
over pappie. Hij is een soort rustende verzetsheld, met de vrede
tevreden en lui, tiert wel vaak over het loonbeleid – met al het
elan van vroeger jaren, het eten halen, de winter van vier – op
vijfenveertig – dat komt omdat wij erg arm zijn en omdat ook mijn
grootouders al arm waren, waarbij ik nog over mijn moeder moet
zeggen dat haar ouders helemaal nergens waren, maatschappelijk
bedoel ik, ze woonden in een achterbuurt en als ze verhuisden gingen
ze naar een andere achterbuurt
Maar mijn vader is zijn hele leven
bij de PTT geweest, (aan de post noemt hij dat zelf). Zijn vader was
trouwens hetzelfde, ook aan de post.
Toch is pa daar helemaal niet
kapot van het is voor hem geen reden zich minder te voelen dan noem
maar op – de dokter, zijn direkteur – de dokter noemt hij altijd: die
rotpil, de direkteur van het postkantoor noemt hij een
hufter.
Die dingen maken pa voor mij en mijn broers eigenlijk
zonder dat hij onze vader zou zijn, - want als zodanig voert hij weinig
uit – de aardigste man die we kennen.'
Trad de Dordtse
dichter Tjeerd Segaar (1938-1996, docent Nederlands, toneelschrijver,
galeriehouder en motor achter de 'Werkgroep Dordtse dichters') met dit
gedicht in 1966 opnieuw in de semi-openbaarheid? Meander en andere E-zines
bestonden nog niet: er waren gerenommeerde poëzie-uitgevers en verder was
er naast de literaire bladen niet zo veel meer. Behalve dan de literaire
prijsvraag van de 'Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs' waar we nu nog
literair op teren! Ik vond het in de verzamelbundel Ultrakort en
Langer, verhalen en verzen van de VARA-prijsvraag gekozen door Hella
S. Haasse, Hugo Claus, Willem G. van Maanen, Adriaan Morriën en Sybren
Polet uit 1966. Enkele nu niet meer kleine jongens stuurden toen in:
Rudolf Geel, Henk van Teylingen, Jacq Firmin Vogelaar en Ad Zuiderent om
maar de bekendsten te noemen. Er staan juweeltjes in van toen nog
amateurdichters. Hoewel, toen bestond dat onderscheid nog niet: 'je dicht
of je bent het niet', geurde het in die tijd: de PvdA bepaalde toen nog
geen democratisch verspreid nivellerend afbraakcultuurbeleid! Tjeerd
zou het met lede ogen aangezien hebben. Hij had de oorlog
meegemaakt:
Toen
Toen ik nog enkelzinnig was, papier
kostbaar, de gracht de dood.
Toen was er geen voorval, papier
gebonden, water tijdloze gracht.
School of vakantie deinden in
temperatuur, dunne schriften, puisten en strikken.
Toen lag
Katwijk veilig tussen de mijnen, zwart-witboulevard verstuurd, de
dominee brak in de branding.
Toen bewoog de economie per
fiets, elk woord riep om een rijtje, ik had zintuigen
over.
Soep en warm eten smaakten naar snoep, het licht mocht
niet aan, dus huiswerk bestond niet.
Na Tjeerds plotselinge
dood in 1996 werd er postuum een dichtbundel van hem uitgegeven, nr. 6 in
de Reeks Dordtse Dichters. Bij leven zou hij van Geert van Oorschot te
horen hebben gekregen dat deze alles wat hij in zou zenden, van hem zou
publiceren. Kom daar tegenwoordig eens om, toch? Tjeerd deed het niet. Die
leefde allereerst en bleef zichzelf, die moest niets hebben van dat
gebonden zijn, dat vastgezet worden; naast dat het hem zijn vrijheid zou
ontnemen om te schrijven wanneer híj dat wilde. Als ex-student Nederlands
te Leiden kende hij de ins-and-outs van het gecoryfeerde dichterschap. En
daarnaast, als je niet publiceert, kun je blijven schrijven wat je wilt.
Zo was Tjeerds poëzie: eigenzinnig, breed van onderwerp, het
momentgebondene ontwijkend naast authentiek. Tjeerd dichtte zichzelf de
plaats van een begenadigde gelegenheidsdichter toe. Eigenlijk was hij een
'poets poet'. Wie zoiets is, die heeft talent, maar wil zijn vrijheid, dus
zijn eigenste onvoorspelbaarheid, behouden. Dit lukte Tjeerd, en daarom
schrijf ik hem hier zijn Parnassus boven de druivenvelden op.
Tijd
Wijn is een lange weg. Ik verlang zeer
traag, als ik dit zeg.
De neus, de keel, de tong - Ik voel me
wijs en jong.
Eenmaal de nacht en dan 10 keer. De zekeringen
gaan tekeer.
De stem van Emmy is gemeen. Je krijgt haar, maar te
leen.
Wijn is een lange weg. Ik heb mijn hand aan het glas
gelegd.
Ik leerde Tjeerd ooit kennen toen hij mijn schilderijen
beoordeelde en met mij doorpraatte over inhoud en gedrevenheid. Tjeerd was
de eerste galeriehouder met wie ik aan de hand van mijn expositie veel
moest optrekken. We vonden elkaar in onze mening dat Cornelis Bastiaan
Vaandrager een onderschatte dichter was en we twijfelden beiden aan de
artistieke integriteit van de Amersfoorter die zich Armando noemt - diens
zelfgeschapen mythe klopte niet. We waren soms lyrisch over de dichters
van de Nul-groep en de Fluxusjongens. Tjeerd mocht ik ervaren als een
getalenteerde dichter passend in de 60'er jaren poëziestijl, zo een die
ervoor ging zitten in zijn zolderkamer, en dan kwam er ook iets uit. Het
leek wel of hij het schrijven van gedichten beschouwde als een laatste
rustpunt na alles.
Voor mij ligt de postuum uitgebrachte
gedichtenbundel van Tjeerd Segaar. Zijn poëzie bekoort mij door zijn quasi
laag-bij-de-grondse nuchterheid. Hij kon zijn gevoel in eenvoudige maar
zeer rake typeringen samenvatten. Ondanks zijn ongrijpbaarheid en de
vervreemdingseffecten in zijn gedichten is hij wars van hoogdravendheid.
Hij blijft in al zijn gedichten toegankelijk. Vaak schrijft hij
droogkomisch met een trieste ondertoon; zijn keuvelende dichtstijl gaat
ongemerkt over naar suggesties door verschuivingen in aanzicht en
onvoorspelbare weglatingen. Er zit een bepaalde suspense in zijn poëzie,
ook al beschrijft hij geografische tijdsbeelden. Dat zijn poëzie ook zijn
autobiografische mimicry was, wist hij, want ook in zijn spreken en
argumenteren ging hij met een 'krabbengang' te werk. Hierin vind ik Segaar
soms ook in veel van zijn gedichten qua dichtstijl vooruitlopen op
toentertijdse en ook hedendaagse dichters.
Onzijdig het schip
Scheepsspant en boorden,
ijzeren ledematen, Bloot voor de maan leg ik mijn doodshoofd. Ik wil
deinen, diep ruggelings te water. Ik scheep me in en lig aan het
Groothoofd.
Ik duw van het stenen kussen af, vaar weg. Duistere
Noord, mijn boeg die stoot jou open. Ik doe met ogen dicht mijn diesel
lopen. De gladde Noord scheert flanken langs mij recht.
Het
Westen brandt van Licht – de Wereldwekker – Roest en Erosie rafelen in
't licht mijn huid.
Ik kan de schade na de tocht niet meer
bedekken. Bij de kade duwt men mijn vracht eruit.
Alblasserdam,
daar kan de werf verrekken. Ik vaar in vrijheid zonder schipper uit.
Hij stierf op nieuwjaarsochtend nadat hij van een trap gevallen
was. Een vreemde dood op een vreemd moment, maar misschien gaan die dingen
altijd samen. Poëzie is zachte lankmoedige draden spinnen als een
vegetarische spin: Tjeerd deed dat. Tjeerd had inzicht in poëzie: bij hem
was alles van waarde karig. Ik schrijf dit omdat ik Tjeerd als dichter
mis. Ik mis de poëzie die hij nog had kunnen schrijven. Had hij nog
geleefd, dan had hij doorgeschreven: dan was hij nu een Anker
gelijk.
blauwe maan regelt vannacht verkeer verlaat met witte
pet en riem een zijstraat van de melkweg om niet meer naar vrouw en
kinderen om te zien voor hij jouw auto en mijn machien dimmen,
ontkoppelen en remmen heeft geleerd men heeft ons met elkaar
gezien 'ternauwernood elkaar ontwijkend' wordt beweerd
dit is
een droom, morgenochtend vroeg zal ik ontwaken om op verzoek van de
politierechter op te staan mijn nek te wassen, me uit te
rekken pyama op te vouwen, uit te trekken en opnieuw het kleinste
ruitje van je woning in te slaan
Beste lezer: kent U nog een
beter liefdesgedicht? Geen conventie paste op Tjeerd. Tjeerd was
eerlijk naast dat hij ook knap ingewikkeld in elkaar stak. Men mocht hem:
hij kon zich wegcijferen. Hij was de motor voor veel dichters en
kunstenaars. Slechts in zijn poëzie liet hij zich kennen: hij had alleen
maar zichzelf en zijn eigen verwerking van zijn ervaringen: van daaruit
schreef hij poëzie. Goede poëzie is eerlijk, elke teveel bedachte
constructie is dodelijk voor de schrijverij. Wat gebeurde er op die
zeer vroege Nieuwjaarsochtend? Was er (n)iemand bij? Was hij, flink
ingenomen hebbende, de lucht boven een trapgat zijn vliegdwang uit aan het
leggen? Wist hij wat hij deed, en nam hij in die fractie een bezopen
besluit? Had Tjeerd niets meer met alles? Hij was er open over dat hij een
tijd opgenomen geweest was. Hij slikte antidepressiva. En dan nog zo
kunnen dichten! T. Segaar zal nooit het onderwerp worden van een
literatuurscriptie: daarvoor publiceerde hij te minimaal. In de 60'er
jaren schijnt hij geschreven te hebben voor KAF-t, de Leidse
Studentenalmanak en Maatstaf. De gedichten die we nu nog van
hem kennen, staan haaks op publicatiegeilheid: zijn generatie was Fluxus,
te vergelijken met de New York School of Painters - de tragische generatie
die getalenteerd toch koos dat leven hetzelfde als poëzie/kunst is: er is
niet meer:
Sentiment
Dichtbij hem in een schoon
vertrek mag ik door glas zijn gezicht zien.
Ik was zijn
gewoonte, totdat ik groeide bij mijn moeder.
Magerder dan toen
hij een kleur kreeg en stierf. Vermagert de dood?
Hij omhelsde
haar. Haar ogen glansden. Echt! Zij loog twee jaar bij haar
leeftijd.
Zij waren mooi, want alles glansde zelfs de
winter.
Zij boden alleen zichzelf, toen precies zoals zij nu
alleen is.
Volgens mij is dit gedicht heel vaak geïmiteerd of
moet ik zeggen: dit gedicht had een vooruitschaduwende invloed op veel
dichters erna die over de dood van hun vader schreven. Maar Segaar stak
hiermee zijn nek uit: je dicht als het pas moet. Verder moet je leven. De
woorden liggen voor je voeten op straat, in de hoekkroeg, het spoelende
water en de wanhopig spartelende vis aan een haak:
Een gedicht op de dag voor Kerstmis 1995
Gegevens
en waarnemingen - toen ik bij het water kwam dat het eiland
omringde diep het mes in Holland - daar stonden de vissers, Marco
Bakker en Corrie in hun oren en de vissen verlangend voor zich - zij
namen geen vissen waar, maar koud, eindeloos verlangen.
Het
water mes in Nederland, hier in Willemstad. Ik voel een vochtig mes in
mijn rug (Wilmesstad). Toen ik bij het water kwam dat Nederland
scheidt van de politiek, van het bestuur. Daar staan de vissers met
hun apparaten - Marco Bakker en Corrie Konings gezellig in hun
oren en de vissen verlangend voor zich.
Koud eindeloos
verlangen. Is het verlangen warm?
'Waaróm schrijf je
gedichten?', vroeg ik hem. Het was een tijd stil achter het stuur.
Zoals ik ook wist dat het stil was in de inrichting toen de vraag
waarschijnlijk ook gesteld werd. Of misschien door de vrouwen die hij ooit
begeerde. Het is hetzelfde als aan een alcoholist vragen waarom hij
drinkt. Een goed antwoord overvraagt altijd de perceptie van de
beantwoorder én van de vragensteller tenzij je een korte inhoud als
gecomprimeerd antwoord wenst. Tjeerd Segaar dichtte, en verder moet je
erover niet praten. 'Is poëzie wanhoop?', vroeg ik. 'Nee, het komt
erna', zei Tjeerd.
Denkend aan Holland
Het was warm. Ik was arm. Ik
zocht mijn vader op. Ik liep dronken met mijn vader over straat
– door Leiden waar de buren zo luisteren. Onweer rommelde. Wij waren
de baas. Hij kocht een pond paling, nog warm.
Mijn moeder deed iets
kleins. Zij trok aan het touw van de deur. Het bliksemde.
Wij
staarden naar haar en zagen wat zij deed: koken, hoorden wat zij zei –
ze zweeg even later.
En een damesdrankje onder zijn arm op de
trap, verklaarde mijn vader de toestand in de wereld.
In de
zwetende straten verdween ik, tot ik wist dat in een zwarte punt,
schuin onder de Roomse kerk,
-'Hic domus dei est et porta
coeli.'
vergrijsd en gerimpeld, zij elkaar
beminden.
Wil
Fraikin
» Show All «Prev «1 ... 8 9 10 11 12
|